To know is to grow | CFA Society VBA Netherlands

Gerben Everts: transparantie is geen doel maar een middel

Terug naar laatste publicaties
in VBA Journaal door
Stem de informatie af op de klant

 

De AFM heeft als een van haar belangrijke taken het bevorderen van transparantie op financiële markten. Met AFM bestuurder Gerben Everts bespraken wij drie onderwerpen: de transparantie van financiële producten, de rol van de accountants bij het faciliteren van transparantie en de transparantie van de toezichthouder zelf.

 

Transparantie is een speerpunt van het beleid van de AFM. Kun je iets meer toelichten over het beleid dat jullie voeren? Zijn de doelen binnen bereik?

Het is allereerst natuurlijk de sector die transparant moet zijn. Met name naar consumenten en beleggers toe. Er zal voor gezorgd moeten worden dat partijen in zekere zin beschermd worden tegen effecten van de informatieasymmetrie tussen de vragers en de aanbieders van financiering. Die ongelijkheid willen wij als toezichthouder zoveel mogelijk opheffen. En transparantie is het middel. Daarin zien wij verbeteringen; een positieve trend. Maar die trend heeft ook weer zijn keerzijde. Het leidt ook tot standaardisatie. Waar dat kan, is het prachtig. En tegelijkertijd is de informatievraag bij de verschillende typen beleggers of consumenten verschillend. Daar zullen de aanbieders rekening mee moeten houden. Het is en blijft belangrijk verschillende groepen beleggers van specifieke informatie te voorzien. Wij vinden dat daar wat meer oog voor mag zijn.

Kun je dat iets meer handen en voeten aan geven?

Transparantie, in de zin van alle informatie overdragen, wordt in de publieke opinie snel als een goede zaak gezien en vaak als doel op zich. Maar het gaat er ook om dat iemand de tijd heeft om informatie te begrijpen en te verwerken. Wordt het zo aangeleverd dat het ook interpreteerbaar en behapbaar is voor diegene die iets met die informatie moet doen? En daar hebben we een grote zorg. De wijze waarop je informatie aanreikt is heel relevant. Hoe je transparant bent, in relatie tot de behoeftes van je klant, is minstens zo relevant als de hoeveelheid informatie.

Wat is de rol van het prospectus?

Het prospectus is een belangrijk document, maar dat vaak niet wordt gelezen. Men richt zich als belegger vaak op andere documenten dan het prospectus. Maar, het prospectus is wel het leidende document als een bedrijf een beroep op de kapitaalmarkt doet. Dan moet je in ieder geval uitleggen wat voor risico’s gepaard gaan met je strategie en bedrijfsvoering. Waar we als toezichthouder naar streven is dat er duidelijk in het prospectus staat voor welke groep het financieel instrument is bedoeld. Dat moet ook goed onderbouwd worden, in de samenstelling van het product, de totstandkoming van het product en dat de processen bij de aanbieders van deze producten intern zo zijn, dat daadwerkelijk deze producten de juiste doelgroep bereiken. Intern moet daarop zijn getoetst en meer permanent op worden toegezien.

Vroeger was dat anders. Als er bij een prospectus stond: ‘het is een vreselijk product, u moet dit beslist niet kopen’, was dat voldoende transparant. En dan moesten wij soms zeggen: ‘oké de AFM heeft er naar gekeken, alle verplicht voorgeschreven onderdelen staan er in’. Dat voelde niet goed. We richten ons nu veel meer op het proces van de aanbieding van dit soort producten, maar ook op wat er in het prospectus staat. Welke doelgroep probeert men nu met dit product te bereiken? Maak duidelijk welke risico’s erin zitten en wat voor scenario’s kunnen zich ontwikkelen waardoor het voor de ene groep wel geschikt is, maar voor de andere juist niet.

Wees transparant en stem je informatie af op de belegger, zijn gedrag en zijn kennis

Er is nu ook een verbod op provisies. Maar juist de klanten die je wilt beschermen gaan nu naar execution only om kosten te besparen.

We brengen de ontwikkelingen in kaart, we zitten nu in een transitieproces met het provisieverbod. Wij vinden dat verkeerde prikkels uit het systeem moeten worden gehaald. Dus de provisiejagers moeten worden uitgeschakeld en de adviseurs moeten ruimte krijgen. Concurreren moet op basis van de kwaliteit van het advies. Daarmee krijg je een beweging dat partijen er voor kiezen om, zoals je zegt, van advies naar execution only te gaan. Voor een deel van de partijen die daarvoor kiezen, kan het ook heel goed werken. Maar bij anderen wil je dat soms beslist toch ook voorkomen. We roepen als AFM dan ook niet alleen consumenten op zich goed te laten informeren, maar ook aanbieders om consumenten hierin goed te begeleiden.

Transparantie over kosten kan leiden tot een race to the bottom en de kwaliteit aantasten.

Zeker, en er is nog een ander risico. Vanuit kostenperspectief zouden vermogensbeheerders en pensioenfondsen kunnen besluiten om veel passief te gaan beleggen. Er is “peer pressure” de kosten zo laag mogelijk te houden, die uiteindelijk ook voor de stabiliteit niet goed kan zijn. Gaat de sector als reflex een “index replicating” strategie volgen over de hele linie van de “asset mix”? Hele lage kosten en tegelijkertijd volledig overgeleverd aan de grillen van de index? Je moet niet alleen op kosten sturen, maar nadrukkelijk ook op rendement en risico’s. Het leven van beleggers is niet zo eenvoudig als sommigen denken.

Jullie vinden geschiktheid voor de consument belangrijk. Maar ga je dan niet teveel op de stoel van de consument zitten?

Ja, maar daar zijn wij heel voorzichtig in. Wij zien een enkele prospectussen waarin vreselijke producten aangeboden worden aan een groep die daar totaal niet mee kan omgaan. Wie zou dan accepteren dat we als toezichthouder hiermee bekend zijn, maar onze ogen sluiten, er een stempel opgeven en de markt z’n werking laten doen? Nou geloof me, naar de letter van de wet doen we dan precies ons werk. Maar in de publieke opinie verwacht men heel iets anders van ons. Dus dat is een wereld waarbij we tussen legaliteit en legitimiteit inzitten. En wij kiezen er voor – en dat doen we heel zorgvuldig – ook te kijken naar wat nu goed is voor het functioneren van de markt. Dat evident slechte producten van de markt worden geweerd, zodat de kapitaalmarkten goed kunnen functioneren en dat de prijsvorming goed is. U zult begrijpen dat dit altijd een delicate afweging is. Gelukkig is er een rechter die, als wij daar te ver in zouden gaan, ons weer op het padje zet.

Is dan zo’n actie tegen binaire opties, die je hebt verloren, dan toch niet een beetje een overwinning?

Nee, bij zo’n besluit gaan we niet over één nacht ijs. Hier zit je in een raakvlak van verschillende typen wetgeving. Je zit hier met de Europese wetgeving op basis van de MiFID die in Nederland is omgezet in nationale wetgeving. Naar onze opvatting gaat het om een product dat voor ons klip en klaar helemaal geen financieel product is. Het heeft niets met vermogensopbouw of beleggen te maken. Het heeft veel meer kenmerken van een pure gok, een kansspel, waar toevalligerwijs een link ligt met een index. Door de gehanteerde brede definitie in MiFID – om grip te kunnen krijgen op een grote groep financiële instrumenten – ontstaat de situatie dat ook binaire opties onbedoeld plots in ons vaarwater komen. Met een stempel van ons als financiële toezichthouder wordt het naar buiten toe minder als kansspel en meer als financieel product gepercipieerd. En dat past niet bij het type product en voelt niet goed. En dan moeten we dus even verder kijken. We hebben beoordeeld of wij een partij en een product, waarvan wij ons afvragen of deze compliant is met de Wet op de Kansspelen als AFM een vergunning kunnen verstrekken. Wij hebben getracht de rechter in voorlopige voorziening te overtuigen dat dat niet opportuun is en niet goed is voor het functioneren van de markt. Helaas heeft de rechter ons verplicht de gevraagde vergunning te verlenen. Dit hebben we dan ook gedaan. Evenwel loopt de bodemprocedure gewoon door. U begrijpt dat dit een principiële discussie is, daar liggen we met de aanbieder van dit product even in conflict. Maar laat een rechter uiteindelijk maar uitspreken wat hier wijsheid is. Is de wet als zodanig leidend of hetgeen de wet beoogt te bewerkstelligen? En kan je dit abstract beoordelen of moet dit in samenhang met andere relevante wetgeving? En dit is voor ons en voor de rechter ongetwijfeld een lastige…

Het toezicht op de accountants is een speerpunt. Jullie hebben zeer kritische rapporten geschreven en hoge boetes gegeven. Tevreden met het resultaat?

Nee, we zijn ontevreden over wat er sinds 2006 is bereikt. We hebben vergunningen verleend met daarbij allerlei afspraken over wat nog verbeterd moet worden. In 2010 is geconstateerd dat het helemaal niet verbeterd is. Boetes volgden. De teneur in de sector was er een van ontkenning. Tot ons rapport in 2014. Dan begint de sector voor het eerst te accepteren dat er een probleem is. In de governance, in de kwaliteitsbewaking. De sector heeft zelf de handschoen opgepakt. Ze heeft een grote gedrags- en cultuurverandering voor de boeg want met deze resultaten, dat 45% van de door ons onderzochte dossiers niet op orde is, kan je de toekomst niet in. Dat is het positieve, de herkenning dat het een collectief probleem is en dat het niet één van individuele accountants of een individueel kantoor betreft. Maar daarmee is het niet opgelost. Het is een begin van de transitie die moet plaatsvinden naar een verdienmodel dat zich echt richt op het publiek belang en niet op het draaien van omzet.

Landt jullie boodschap, dat het een structureel probleem is?

Nu zeker wel, maar te laat. Natuurlijk zijn er heel veel mensen in de sector die uitstekend hun werk doen en er waren gelukkig ook enkelen kritisch en vocaal. Laten we ook niet vergeten dat ook veel controles wel de kritische toets doorstaan. Maar er is bij veel kantoren simpelweg slecht bestuurd. Er is geen consistente kwaliteit afgedwongen op organisatieniveau. Het stond en viel met de kwaliteit van de individuele accountants. Dit terwijl de wet- en regelgeving de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit op organisatieniveau – de zorgplicht – wel heel duidelijk bij het bestuur van de accountantsorganisaties heeft neergelegd; reeds in 2006!

Leg uit.

Als bestuur moet je instaan voor een goede interne bedrijfsvoering. De kwaliteit van de controles moet “impeccable”, helemaal onaantastbaar, zijn. En dat hebben bestuurders niet consequent in de greep gehad. Als er problemen waren met een dossier dan losten ze het niet altijd echt op. Het was soms makkelijker om het probleem heen te managen. Los het probleem alsjeblieft op, vinden wij, zorg ervoor dat de organisatie niet wordt geïnfecteerd. Neem maatregelen, breng de interne beheersing goed op orde om te voorkomen dat een individu, een rotte appel, die cruciale fout kan maken. Het oude maatschapsmodel, met allemaal individuen met eigen verantwoordelijkheid, ego en trots, werkt niet meer. Een accountantsorganisatie onder toezicht van de AFM, die hoort een integere bedrijfsvoering te hebben. Je zorgplicht moet je op orde hebben in de terminologie van de WTA. En daar is te weinig op ingezet.

Zit in het verdienmodel van de accountants niet per definitie een conflict.

Kijk je naar wetenschappelijk onderzoek over prikkels en bias, dan wordt het de accountant in het bestaande model als mens soms heel moeilijk gemaakt. Een goede audit vereist een professioneel-kritische instelling. Maar, hoeveel zelfvertrouwen en training iemand ook heeft gehad, wanneer je inderdaad weet dat je diegene moet teleurstellen die uiteindelijk jou de opdracht heeft gegeven, word je minder kritisch op informatie die jou wordt aangereikt. Wat is je ruimte om daar tegenin te gaan? Als je naar de “behavioral economics” kijkt, dan is het niet verwonderlijk dat een accountant uiteindelijk veel te veel ruimte laat om dat professioneel kritische vermogen niet adequaat in te zetten. Men heeft te weinig de grenzen getrokken de maatschappelijke rol ondergeschikt gemaakt en – wellicht zonder het bewust te zijn – meer en meer met de gepercipieerde klant meegegaan in plaats van de echte klant: het publiek belang.

Bij tegenspraak loopt de klant weg.

Daarom is degovernance discussie zo belangrijk. De strikte scheiding tussen de controle en advies is belangrijk, zodat je daar geen verkeerde prikkel meer hebt. Daarom is die roulatie belangrijk en daarom is die hele transitie die de sector nu doormaakt zo enorm belangrijk. Of we er zijn? Helemaal niet. Dit is een taai proces dat nog jaren duurt. Er heerst nu plots een juichstemming over de meer informatieve controleverklaring. Als dat de lichtpuntjes zijn, dan komen we van heel ver. Als we eerlijk zijn, moeten we concluderen dat de belegger slechts minimaal wordt geïnformeerd door de accountant. Van een onafhankelijke en daarvoor goed betaalde tussenpersoon mag naar mijn mening meer worden verwacht. Transparantie kent nog zo z’n uitdagingen.

Wat zijn de gevolgen van dit beleid voor de accountants van andere organisaties dan beursgenoteerde bedrijven?

We zijn bovenaan begonnen, ij de grootste accountantsorganisaties. Ten aanzien van die accountants die controles doen bij organisaties van openbaar belang voeren we een wat ander beleid. Als wij nu plots de doorsteek zouden maken naar de gehele accountantssector en zouden eisen dat al die waarborgen voor betere kwaliteit ook meteen daar worden doorgevoerd, dan wordt het een drama. Want dat betekent dat je de vertrouwenspersoon die bij kleinere onderneming binnen komt en kijkt of de boekhouding netjes is vormgegeven, de fiscaleaangiftes verzorgt en nog wat tips geeft over hoe de DGA uiteindelijk ook de toekomst nog in inkomen kan voorzien ook direct raakt Dan zou de slager op de hoek de 3 diensten bij 3 verschillende partijen moeten halen. Dat zou ridicuul zijn; bijzonder duur en onpraktisch. We moeten een onderscheid maken tussen de beursgenoteerde en vergelijkbare bedrijven, waar wij ons op richten, en de rest nu in de luwte laten. Dat is denk ik heel wijs en verstandig. Je moet weten waar je wel en niet de grootste verkeerde prikkels hebt. Daar moet je je op richten als toezichthouder.

Maar, uit sommige dingen kan je wel lering trekken. Wat we nu bijvoorbeeld zien is dat de scheiding die is aangebracht tussen de huidige definitie van een organisatie van openbaar belang, en alles wat daarbuiten valt, een beetje piept en kraakt. De gemeente Amsterdam zou dan bijvoorbeeld geen scheiding van controle en advies moeten hebben, zou niet hoeven te rouleren van accountant, terwijl de kleinste lege huls op de beurs die aan de ketting van bijvoorbeeld Peter Paul de Vries wordt geregen dat wel allemaal zou moeten. De rechtvaardiging daarvan is natuurlijk volledig zoek. Dus je zult daar een goede match in moeten maken. Dat is nu ook wat politiek op de kaart staat. Moeten we het OOB segment niet uitbreiden met een aantal evident publiek relevante instellingen? Denk aan woningbouwcorporaties, grote scholengemeenschappen, grote gemeentes, noem het maar. Wij hopen dat het inderdaad ook gaat gebeuren. We hopen dat we daar de meerwaarde uiteindelijk van terugzien in de kwaliteit van de controle, die juist daar heel relevant is.

De accountant is er niet voor de onderneming maar voor de aandeelhouder. Daarom is een goede controle zo belangrijk

Gaat het allemaal helpen?

Dat hoop ik wel. Ik denk ook wel dat dat gebeurt. De nadruk op professioneel kritisch vermogen, de professioneel kritische houding, richt zich daar juist op. Want je kunt heel legalistisch denken als accountant en daarmee soms toch wegkomen. Zo van ‘ik moet een waardering verifiëren, ik heb een waarderingsrapport van iemand en die heeft een stempel ‘ik ben daar expert’ in en die stop ik een file’. Je kunt hier als accountant mee volstaan, maar je kunt natuurlijk ook even kijken wie de partij is die dat rapport heeft geschreven. Een paar kritische vragen stellen. Zelf het waarderingsrapport opvragen. Nagaan of die partij inderdaad bij het relevante register staat geregistreerd. Misschien is het kantoor ook de accountant van een buurman met een vrijwel identiek pand. Staat dit pand toevallig twee keer zo hoog in de boeken, of twee keer zo laag, dan heb je de ‘red flag’ te pakken en je werk dus goed gedaan. Kortom, je zult wel kritisch moeten kijken naar de aangereikte informatie. Daar zijn accountants mee bezig, dus dat zal naar de toekomst toe vast minder legalistisch worden. Het is ook iets wat niet alleen bij de accountants speelt, maar ook breder in de sector Het is de principal based versus rule based discussie. Accountants moeten zich gaan realiseren dat je er niet bent om het die onderneming naar de zin te maken, maar dat je er bent om uiteindelijk het publiek en specifiek die aandeelhouder te bedienen. Je bent een tussenpersoon tussen de onderneming, in dienst van de aandeelhouder en andere stakeholders. Des te meer ‘red flags’ je kunt overbrengen naar de aandeelhouder en andere stakeholders, des te meer je je ‘license to operate’ hebt waargemaakt.

Ik voer met trustkantoren wel eens een hele interessante discussie, die krijgen dan een UBO aangeboden vanuit Transsylvanië en dan vraag ik hoe controleer je nou wat die club in Transsylvanië doet? Dan zeggen ze, nou er zit een verklaring bij van een lokaal kantoor van de Big-4 bij. Dus men stelt dat kantoor heeft Transsylvanië goedgekeurd, dus ik neem dat dossier op orde is, want ik moet toch kunnen vertrouwen op wat men lokaal doet. En ik denk dan… hoe lang zit die accountant in Transsylvanië, dat is een Nederlander die er al 25 jaar zit. Dat is letterlijk echt zo. Maar de hele discussie, moeten wij hier zelfstandig een toets op loslaten, moeten wij hier zelfstandig over nadenken? Daar wil men maar niet aan.

Die discussie hebben wij bij de accountants zo’n drie jaar geleden gevoerd. Een multinational die heeft natuurlijk allemaal teams overal in de wereld zitten. Wat moet je nu precies doen als hier uiteindelijk de topholding zit of de notering, waardoor je hier moet rapporteren?

Je bent een grootgrutter en je hebt een dochter in Amerika.

Nou een heel goed voorbeeld. Wat is je plicht: om het werk van de accountant in de VS te controleren. Daar hebben we een prachtige NV-COS 600 voor. Dus een controlestandaard inhoudende dat je een duidelijke instructie moet uitsturen aan de buitenlandse accountant, de voortgang moet bewaken dat hij zijn werk goed doet en een review moet doen op wat je uit het buitenland gerapporteerd krijgt. Op het moment dat je het makkelijk zou willen doen, door te laten weten: ‘jij doet de controle in de VS, succes ermee, ik zie wel wanneer je klaar bent’, dan doe je echt te weinig. Je kunt de eindverantwoordelijkheid niet delegeren. De afgegeven goedkeurende verklaring creëert een verantwoordelijkheid voor de gehele controle. Het steunen op een buitenlandse controle zonder aanvullende review is onvoldoende. En helaas hebben we gezien dat het fout kan gaan.

Partijen die het wel goed doen, die sturen een keurige instructie, gaan daar naar toe en leggen de instructie uit. Het controleteam gaat vervolgens aan het werk, daar hoef je als partner niet dagelijks bij te zitten, en uiteindelijk krijg je de rapportage. Je doet een review, aantoonbaar ga je na of wat je gerapporteerd krijgt, zich verhoudt met de kennis die jij hebt, de meetings die je hebt gehad, alle notulen van vergaderingen en dergelijke. Dit leg je vervolgens keurig vast. Uiteindelijk stel je vast dat je de totale controle daarop kan baseren. Dat is de informatie, ik heb het gereviewd, het is conform de instructies gedaan, prima. En dan kan het. Dat moet je vanzelfsprekend wel aantoonbaar doen. Dus in het voorbeeld van Transsylvanië zul je heel duidelijk de instructie naar die lokale accountant moeten sturen en de gedane werkzaamheden kritisch beoordelen...

Stel er: er is nooit een instructie gestuurd. Er komt een klant, die legt een rapport neer en die zegt kijk eens, daar staat het Big-4 kantoor.

En als de klant zegt: ik wil dit onderdeel van mijn bedrijf of keten wel in de scope van het rapport en dit niet, kan het zijn dat de lokale accountant daarmee akkoord is gegaan. Daarom is het belangrijk dat degene die uiteindelijk met het rapport iets moet doen, zelf de regie voort over bijvoorbeeld de scope van de controle, de diepgang enzovoort. Als dit niet vooraf duidelijk is, gaat het dus vaak verkeerd en kan je als accountant niet met goed geweten op het werk van een derde steunen. Je moet zelf de regie voeren en zelf de review doen. Zodat je weet of wat je uiteindelijk krijgt aangereikt conform jouw instructie is samengesteld en past bij de scope en diepgang van de gehele controle.

Er is veel commotie over de geschiktheidstoets voor bestuurders. Men voelt zich aan AFM en DNB overgeleverd en bij aftoetsen, heb je een beroepsverbod.

Allereerst over het waarom. Het gaat om de toon aan de top. Welke bestuurders heb je als instelling, welke interne toezichthouders heb je en zijn die adequaat toegerust voor hun werk. Het gaat verder, want je wilt veranderen. We willen sturen op gedrag. Je hebt echt een geschikt individu nodig en een geschikt team om een financiële instelling te leiden. En dat is waarom we die geschiktheidstoets nu hebben. Waar we ons op richten is een aantal relevante criteria, die we ook heel transparant hebben gemaakt, waarop we mensen toetsen.

We kijken niet alleen naar deskundigheid. We kijken ook – vrij vertaald – naar de professionele oordeelsvorming en managementvaardigheden, de visie op je rol in de samenleving en uiteindelijk of je goed bent uitgerust om die functie met een grote verantwoordelijkheid goed uit te voeren. Voor een deel baseren we ons op een stuk historie, de ‘past performance’. Voor een deel komt het aan op persoonlijkheid, op kennis van de sector en de risico’s die aan de bedrijfsvoering zijn verbonden en het komt ook aan op je ambitie, hoe je dat verwoordt en waar je op inzet in die functie. Het hoeft niet zo te zijn dat iedereen op elk punt volledig 100% scoort. De competenties moeten complementair zijn aan elkaar. Dus op het moment dat je vijf personen hebt, waarvan drie financieel sterk en helemaal ervaren en één iemand komt er vanuit een heel andere discipline bij, dan kan dat juist prima passen. Dan ben je als persoon toch geschikt. Als het totale team uiteindelijk eventuele minder ontwikkelde competenties maar kan opvangen.

Er zijn veel mensen afgetoetst op houding en gedrag.

Gelukkig komen de meeste mensen wel door de toetsing. Of houding en gedrag nu zozeer de zware toetssteen is, betwijfel ik. Je kunt het beter zien in het licht van de ‘past performance’. De toetsing vindt plaats op basis van wat iemand ons zelf aanreikt over zijn of haar gedrag. Dus als iemand bij ons komt, die in het verleden de meest vreselijke producten heeft verkocht, of bij een bedrijf heeft gewerkt dat constant in conflict was met jan en alleman – of het nu één van de toezichthouders of allerlei juridische geschillen betreft -, dan zijn er twee mogelijkheden. Hij kan daadwerkelijk inzien dat het niet goed zat: ‘Maar in die tijd gebeurde dat en ik sla me nog steeds voor mijn kop dat ik daar in mee ben gegaan. En dit zal nooit meer gebeuren.’ Dan herken je gedrag in de zin van lerend vermogen. Maar we komen helaas ook mensen tegen, die niet door het leerproces zijn heengegaan. Als die een houding hebben van ‘zo deden we dat nu eenmaal, dat paste bij de tijdsgeest’, dan geven ze er blijk van dat het ze niet zo veel doet. Dat wegen we zwaar.

De procedure gaat diep. Los daarvan, het is lastig om je tegen een negatief besluit te verzetten. Bovendien zal de partij die je voordraagt zich meestal terugtrekken.

Wij evalueren natuurlijk ook hoe dat proces gaat. Wat wij uit de evaluatie terughoren, is dat mensen die wel en niet door de geschiktheidstoets zijn gekomen, het proces wel als zuiver hebben ervaren. En men kan zich ook vaak vinden in het oordeel. Zeker bijvoorbeeld als je bij de voorzitter van een raad van commissarissen terugkomt met de bevindingen voor het collectief of voor een individu, dan wordt het vaak wel herkend. Men snapt de twijfels, ziet het punt van de toezichthouder en men gaat een ander zoeken. Aftoetsen is ook beslist geen beroepsverbod. Onze toetsing is situationeel. Iemand is voor een bepaalde financiële instelling opgelijnd voor een bepaalde functie. Dan kan het zijn dat wij op dat moment toetsen dat iemand nu niet geschikt is. En iemand kan voor een andere rol bij een andere instelling juist wel geschikt zijn. Iemand kan na een bepaalde periode, met verdere ontwikkeling, ook gewoon weer geschikt zijn voor een rol waar hij de vorige keer voor afgetoetst is. De angst voor een beroepsverbod is wel een beeld dat helaas bestaat en, wellicht omdat het relatief nieuw is, misschien een beetje blijft hangen. We zijn als toezichthouder kritisch en streng, maar heel nadrukkelijk: het is geen beroepsverbod, het is allemaal gericht op de situatie waarvoor je wordt getoetst.

Is er iets dat je met de lezers nog wil delen of mee wil geven om over na te denken op het terrein van transparantie?

Transparantie is geen panacee voor alle kwalen. Ter overbrugging van de informatie-asymmetrie heb je niet alleen de brug nodig, maar ook de leggers voor enige houvast. Het gaat niet enkel om de hoeveelheid informatie, maar ook om de wijze waarop de informatie wordt gefilterd en wordt aangereikt. Dit kan per doelgroep sterk verschillen. Je moet transparantie combineren met duiding en de klant begeleiden naar een keuze voor een product dat bij hem past. Vooral via het internet – denk aan de vergelijkingssites – worden consumenten snel in een fuik gedwongen. Transparantie impliceert dat je de consument alle alternatieven laat zien en hem faciliteert bij het maken van de keuze die voor hem het beste is. Een edele en uitdagende taak voor de echte adviseurs.

 

Download